2-2. De standaard visie

De vijf blinde wijzen 2/4

Gedurende mijn reis tussen feit en fabel is het me steeds duidelijker geworden dat er geen sprake is van leugens en komplotten. Wij zijn het zelf die ‘het grote’ verhaal passend maken. Met alleen kennis van een detail ‘verzinnen’ we de rest erbij. En eenmaal verzonnen, houden we het vol. Hieronder deel 2 van mijn artikel over de blinde wijzen.

  1. De standaard visie

Wat we ook bij geboorte, van ver en ergens anders, meenemen in dit leven, is voor iedereen heel moeilijk uit te leggen. Dat komt in eerste instantie omdat we, als pasgeborene, nog niet kunnen praten. Maar ook en bovenal omdat we uiteindelijk een taal leren spreken die niet de onze is. We moeten uitdrukking geven aan onze herinneringen in de ons aangeleerde taal. Een taal die al van alles en nog wat betekent.

In het Westers esoterische denken komt de overtuiging voor dat de mens, behalve het fysieke zichtbare lichaam, ook een andere lichamelijke vorm heeft die is opgebouwd uit een andere substantie dan de gewone stof. In veel culturen treffen we gedachten aan dat de ziel, afgezien van het gewone zichtbare lichaam (ook na de dood), beschikt over een fijnstoffelijk lichaam. Lichaam en ziel zijn namelijk zo verschillend van aard, dat zij zonder een tussenschakel geen contact kunnen hebben. In de geschiedenis van het filosofisch denken zijn er diverse karakteristieke beelden gebruikt en benamingen gehanteerd voor die fijnstoffelijke vorm en tussenschakel. In de westerse cultuur zijn hiervoor de termen; het Ka (Egypte), ochêma (neo-platonisten), pneuma (Aristoteles), soma pneumatikon (de apostel Paulus), aura (new-age denken), etherisch lichaam (theosofie/antroposofie) en fijnstoffelijk lichaam in gebruik.

Het fijnstoffelijke lichaam vertoont overeenkomsten met wat in sommige tradities het qi-lichaam wordt genoemd en in bepaalde yoga tradities het prana-lichaam of het etherisch lichaam. De standaard visie gaat dus allereerst uit dat er een ziel bestaat, naast het lichaam. Maar ook dat er naast het materieel fysieke lichaam nog ‘iets anders’ is. Zowel de ziel en ‘dat andere’ zijn gescheiden van het materiele. Vandaar de puzzel hoe ze op elkaar kunnen inwerken. (Én de vaststelling in de natuurwetenschappen, dat dat onmogelijk is.) Vervolgens wordt vaak, gemakshalve, alle andere culturele benamingen voor iets als ‘dat andere’ met elkaar gelijkgesteld. Het qi-lichaam, het prana-lichaam en het ka-lichaam.

Door het scheiden van lichaam en geest hebben we een probleem, dat we graag in stand hebben willen houden. Dus alles wat we te pakken konden krijgen voerden we in dat denkbeeld in, om het ‘op deze wijze’ te kunnen blijven denken. Chinezen kennen geen scheiding tussen lichaam en geest, en hun qi-lichaam is daarom ook niet hun ‘oplossing’ voor ‘ons’ probleem. En het zelfde geldt voor het prana- en ka-lichaam.

Al sinds de Griekse oudheid is onze cultuur op zoek naar de bouwstenen van alles. Het is een zoektocht in het materiele, een puzzel over causaliteit, met een super analytische blik. Steeds kleiner en steeds dieper worden de dingen opgedeeld. En werden de oosterse, zowel Chinese als Indische, beschrijvingen van ‘dat andere’ op deze wijze uitgelegd. Het beroemde voorbeeld is de verwarrende vertaling van het model van de vijf fasen. Dat nog vaak genoeg wordt vertaald met de vijf elementen (naar het griekse model van de elementen). Maar vele oosterse wijsgeren waren niet aan het zoeken naar de meest elementaire deeltjes, zij waren gefascineerd door beweging. En dat is een heel andere bril waardoor de werkelijkheid betekenis kreeg. Zij keken eerder door de ‘verkeerde’ kant van de verrekijker. In plaats dat zij steeds meer detail zochten, wilden ze een steeds groter overzicht hebben, een wijdere blik. Wat de oude Egyptenaren, Chinezen en Indiërs bedoelden en dachten, is vaak tot ons gekomen door de bril van de oude Grieken en vrijelijk vertaald door de esoterische genootschappen in de 19e eeuw in Europa. Zo werden de theorieën en modellen uit het oosten in een materialistisch wereldbeeld gevlochten. En daardoor hebben wij ze tot onze ideeën over bewustzijn, aura, chakra, meridianen, qi en prana gemaakt.

Volgens de chinezen is alles energie en is de materie een ‘slome vertaling, kristallisatie’ van deze energie. Energie is een woord uit onze taal en houdt verband met electriciteit en lading, de chinezen zeggen ‘Qi’ en dat is niet hetzelfde. Bewustzijn, emotie, gedachten zijn allen specifieke bewegingen van deze energie. Er bestaan geen soorten energie, alleen soorten bewegingen. De qi gaat omhoog of omlaag, naar binnen of naar buiten. Maar het blijft dezelfde qi. Verschillen zijn hooguit relatieve verschillen, nooit absoluut. Er is altijd schaduw in het licht en er is altijd licht in de duisternis. Zowel licht als donker kunnen niet zonder elkaar, ze voeden elkaar, komen uit elkaar voort. Een slak heeft een yin beweging, sloom en langzaam. Een mens is daarbij vergeleken yang, loopt zwaaiend met de armen, rennend en hollend door het leven. Een paard is ook yang, energiek en snel. Maar in vergelijk met het paard is de mens Yin, langzaam, sloom en lui, zittend achter zijn bureau. De mens is dus Yin én Yang tegelijk, afhankelijk van de vergelijking. Yin en Yang zijn geen verschillend spul. Er is geen scheiding, dus ook geen medium nodig, om de scheiding op te heffen. Om een andere metafoor te gebruiken. Je maakt licht in je huis door het lichtknopje ‘aan’ te doen. Er is geen donkerknopje om het donker ‘aan’ te doen.

Blinde wijzen

Uit de parabel van de blinde wijzen is hier veel over te leren. De vertelling is heel oud, waarschijnlijk van indische oorsprong, maar in allerlei religies gebruikt, en duikt ook op in onze cultuur. Al deze verhalen hebben hetzelfde recept. Neem een olifant en zet hem op een pleintje. Laat hem betasten door vijf of zes blinde wijzen, die niet weten dat er een olifant staat, en ook niet weten wat een olifant is. En laat deze onafhankelijk van elkaar tot een ordeel komen over wat zij aantreffen. De verhalen varieren in wat de wijzen zeggen. Maar het komt neer op het volgende. Nummer één vat een pot en stelt dat het een zuil is, dus een gebouw. Nummer twee betast de slurf en stelt dat het om een slang moet gaan. En zo de volgende die of een staart of een buik of een oor voelen.

Met het verhaal wordt vaak bedoeld dat je verschillende perspectieven op de werkelijkheid kunt hebben. Dat je er goed aan doet om je in het perspectief van de ander te begeven om tot betere communicatie te komen. En dat alle perspectieven bij elkaar opgetellen de waarheid tot gevolg heeft. Of dat hoeveel perspectieven je ook probeerd te maken, er nooit één de werkelijkheid kan omvatten. Er zijn natuurlijk ook andere redenen waarom dit verhaal gebruikt wordt. Maar geen enkele vertelt van de tribune die op enige afstand van de olifant en de wijzen staat. Uit het zicht blijft de menigte die óp die tribune zit. Een publiek dat duidelijk wél kan zien. Zij zijn het immers die zien dat de wijzen een olifant betasten. Zij zijn het ook die een beetje smalend kunnen vaststellen dat blinde wijzen echt blind zijn. En dat deze wijzen zo overtuigd zijn van hun eigen gelijk, dat er van alles gedaan moet worden om hen tot enige vorm van overeenstemming te laten komen. Wat er dus ontbreekt aan het verhaal zijn wij zelf, de toeschouwers die al hebben gezien dat het om een olifant gaat.

We kunnen dit verhaal gebruiken om te begrijpen in wat voor warboel we zitten. Want in onze werkelijkheid zijn wij de blinde wijzen. Wij zijn het zelf die de wereld proberen te begrijpen, zonder te kunnen zien. Met andere woorden, wij weten helemaal niet dat er een olifant voor onze neus staat. Deze vergissing is snel gemaakt als je kijkt naar het volgende voorbeeld.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *